Het "Grote Kangoeroe Liedjesboek"

Wij zingen altijd heel veel liedjes met de kinderen. Zelfs de allerkleintjes vinden het heerlijk om te luisteren naar kinderliedjes. Ze dansen een beetje mee en proberen de bewegingen die bij de liedjes horen na te doen. De oudste peutertjes zingen uiteraard het liefst zo hard mogelijk mee. Vaak vragen de ouders ons naar de teksten van de liedjes.

Hierbij presenteren wij " De klassiekers van de Kangoeroe"

Inhoudsopgave

Op een grote paddestoel.
Olifantje in het bos.
Jongens, meisjes.
Pinguïn.
Poesje mauw.
Hondje waf.
Schaapje, schaapje.
Treintje ging uit rijden.
Keteltje.
In de maneschijn.
Helikopter.
Eekhoorn.
Herfst, herfst.
Visje, visje.
Ik zag twee beren.
De krokodil.
Een koetje en een kalfje.
Papegaaitje, leef je nog?
Tikke, takke, regen.
Hansje pansje kevertje.
De kop van de kat is jarig.
Met de vingertjes.
Dit zijn mijn wangetjes.
Zagen, zagen.
Boer wat zeg je van mijn kippen.
Berend Botje.
Onder hele hoge bomen.
Schuitje varen.
Klap eens in je handjes.
Ik stond laatst voor een poppenkraam.
Tam, tam.
Smakelijk eten.
Poes is ziek.
Een spinnetje, een spinnetje.
De wielen van de bus.
In ied’re kleine appel.
Haagse stoomtrein.
Op een heel smal bruggetje.
Er liggen bolletjes in de grond.
Krokusbolletje.
Brandweerliedje.
Weet je wat ik het gezien?
Opa bakkebaard.
Kun je koffie malen ? ( bewegingsliedje )
Klein rood autootje.

Teksten van de liedjes

Op een grote paddestoel

Op een grote paddestoel,
rood met witte stippen.
Zat kabouter Spillebeen,
heen en weer te wippen.
“Krak”, zei toen de paddestoel,
met een diepe zucht.
En twee beentje gingen,
hoepla in de lucht.

Olifantje in het bos

Olifantje in het bos,
laat je mama toch niet los.
Anders raak je de weg nog kwijt,
en dan krijg je later spijt.
Olifantje in het bos,
laat je mama toch niet los!

Jongens, meisjes

Jongens, meisjes aan de kant, want daar komt de olifant.
Grote poten, grote oren, en een lange slurf van voren.
Jongens, meisjes aan de kant, want daar komt de olifant.

Pinguïn

Alle mensen blijven staan,
want daar komt een pinguïn aan.
Wit van voren, zwarte jas en een wiebelende pas.
Alle mensen blijven staan,
want daar komt een pinguïn aan.

Poesje mauw

Poesje mauw, kom eens gauw.
Ik heb lekkere melk voor jou.
En voor mij, rijstebrij,
oh wat heerlijk smullen wij.

Hondje waf

Hondje waf, waf, waf, waf,
blijf jij van mijn lekkers af.
Aardig dier, kom eens hier,
geef mij een pootje met plezier.

Schaapje, schaapje

Schaapje, schaapje,
heb je witte wol?
Ja baas, ja baas,
3 zakken vol.
Eén voor de meester,
en één voor zijn vrouw.
Eén voor de kindertjes,
die bibberen van de kou.
Schaapje, schaapje,
heb je witte wol?
Ja baas, ja baas,
3 zakken vol.

Treintje ging uit rijden

Treintje ging uit rijden,
Van Amsterdam naar Rotterdam.
En achter al die raampjes,
Daar zaten zoveel kindertjes.
En die deden zo, en die deden zo,
Zi, za, zo!

Keteltje

Ik ben een keteltje en rond is mijn buik,
Dit is mijn oor en dit is mijn tuit.
Als het water kookt, roep ik luid:
“Til me op en schenk me uit”.

In de maneschijn

In de maneschijn, in de maneschijn,
klom ik op een trapje naar het raamkozijn.

En je waagt het niet, en je waagt het niet.

Zo doet een vogel en zo doet een vis.
Zo doet een duizendpoot die schoenenpoetser is.
En dat is 1, en dat is 2,
en dat is dikke, dikke, dikke tante Kee,
en dat is recht en dat is krom.
En nu draaien wij het wieltje nog eens om, rom-bom!

Helikopter

Helikopter, helikopter.
Mag ik met je mee omhoog?
Hoog in de wolken wil ik wezen,
hoog in de wolken wil ik zijn.
Helikopter, helikopter,
vliegen is zo fijn.

Eekhoorn

Eekhoorn, eekhoorn,
Met je lange staartje.
Eekhoorn, eekhoorn,
Spring maar met een vaartje.
Tikke, takke tomen,
Roets! In de bomen.

Herfst, herfst

Herfst, herfst,
wat heb je te koop?
Honderd duizend bladeren op een hoop.
Zakken vol met wind,
ja mijn kind,
ik hoop dat je dat toch aardig vindt.

Visje, visje

Visje, visje in het water.
Visje, visje in de kom.
Visje, visje kan niet praten.
Visje, visje draai je eens om.

‘k zag twee beren

‘k zag twee beren broodjes smeren,
o, het was een wonder!
’t Was een wonder boven wonder,
dat die beren smeren konden.
Hi hi hi, ha ha ha, ‘k stond erbij,
en ik keek er naar.

De krokodil

De krokodil, die ligt in het water.
De krokodil ligt helemaal stil.
De krokodil komt steeds een stukje nader.
En hap, daar bijt hij in je bil.

Een koetje en een kalfje

Een koetje en een kalfje,
die liepen in de wei.
Toen kwam er een heel dik varkentje voorbij.
Dat zei, dat zei: “geef dat kalfje maar aan mij”.
“Nee”, zei de koe: “boe, boe, boe”.
“Nee”, zei de koe: “boe, boe, boe”.

Papegaaitje, leef je nog

Papegaaitje, leef je nog? ia-dea.
Ja meneer, ik ben er nog, ia-dea.
‘k heb mijn eten opgegeten en m’n drinken laten staan.
Ia-dea-poef!

Tikke takke regen

Tikke takke regen, tik, tak, op het dak.
Tikke takke regen, op de wegen.
Plens, plens, plas, plas, plas.
Druppeltjes op mijn regen jas.

Hansje pansje kevertje

Hansje pansje kevertje,
die klom eens op een hek.
Neer viel de regen,
die spoelde Hansje weg.
Op kwam ‘t zonnetje,
dat maakte Hansje droog.
Hansje pansje kevertje,
die klom toen weer omhoog.

De kop van de kat is jarig

De kop van de kat is jarig,
en de pootjes vieren feest.
‘t staartje kan niet meedoen,
want het was pas ziek geweest.
Dat kwam pas uit het ziekenhuis,
en had zo’n pijn in de keel.
En al dat dansen en dat springen,
was hem veel te veel.

Met de vingertjes

Met de vingertjes, met de vingertjes,
met de platte, platte handjes,
met de vuistjes, met de vuistjes,
met de elleboogjes allebei!
Pats-boem, geef elkaar een dikke zoen!

Dit zijn mijn wangetjes

Dit zijn mijn wangetjes,
en dit is mijn kin.
Dit is mijn mondje,
met tandjes erin.
Dit zijn mijn oogjes,
mijn oortjes, mijn haar.
En nu nog mijn neusje,
en dan ben ik klaar.

Zagen, zagen

Zagen, zagen,
Wiede-wiede wagen.
Jan kwam thuis om een
Boterham te vragen.
Moeder was niet thuis,
vader was niet thuis.
Piep zei de muis in het
voorhuis.

Boer, wat zeg je van mijn kippen

Boer, wat zeg je van mijn kippen?
Boer wat zeg je van mijn haan?
Hebben ze dan geen mooie veren,
of staat jou de kleur niet aan?
Boer, wat zeg je van mijn kippen?
Boer wat zeg je van mijn haan?

Berend Botje

Berend Botje ging uitvaren,
met zijn scheepje naar Zuid-Laren.
De weg was recht, de weg was krom.
Nooit kwam Berend Botje weerom.
1, 2, 3, 4, 5, 6, 7!
Waar is Berend Botje gebleven.
Hij is niet hier, hij is niet daar;
hij is naar Amerika, Amerika, Amerika,
tjingelinge van je hopsasa.

Onder hele hoge bomen

Onder hele hoge bomen,
in een groot kabouterbos,
staat een heel klein aardig huisje,
zomaar midden op het mos.

‘k zou er graag in willen wonen,
maar ik ben al veel te groot.
‘t is gemaakt voor de kabouters,
met hun jas en mutsje rood.

Gaat het ‘s avonds donker worden,
is het helemaal niet naar,
want dan zitten de kabouters,
heel gezellig bij elkaar.

Ieder zit dan op een stoeltje,
met een kaarsje in de hand.
En dan zie je duizend lichtjes,
In Kaboutersprookjesland.

Schuitje varen

Schuitje varen,
theetje drinken.
Varen we naar de overtoom,
drinken we zoete melk met room.
Zoete melk met brokken,
kindje mag niet jokken.

Klap eens in je handjes

Klap eens in je handjes,
blij, blij, blij.
Op je boze bolletje allebei.
Twee handjes in de hoogte,
twee handjes in de zij.
Zo varen de scheepjes voorbij.

Ik stond laatst voor een poppenkraam

Ik stond laatst voor een poppenkraam,
Oh, oh, oh.
Daar zag ik mooie poppen staan,
Zo, zo, zo.
De poppenkoopman ging op reis,
de poppen raakte van de wijs.
Ze deden allemaal zo,
ze deden allemaal zo,
ze deden allemaal zo!

Tam, tam

Tam, tam, tam, tam,
Daar komen muzikantjes aan,
Ze lopen keurig in de maat,
Bij ons door de straat!

(1x normaal, 1x zacht, 1x hard)

Smakelijk eten

Smakelijk eten,
smakelijk drinken.
Hap, hap, hap,
slok, slok, slok.
Dat zal lekker smaken,
dat zal lekker smaken.
Eet maar op, drink maar op.
Eet smakelijk allemaal!

Poes is ziek

Poes is ziek,
reumatiek.
Dat zegt dokter Jantje.
Stop hem gauw,
voor de kou,
in zijn warme mandje!

Een spinnetje, een spinnetje

Een spinnetje, een spinnetje,
die zocht eens een vriendinnetje.
Hij zocht eens hier, hij zocht eens daar,
oh, had hij zijn vriendinnetje maar.

Een spinnetje, een spinnetje,
die vond toen zijn vriendinnetje.
Ze speelden hier, ze speelden daar,
ze bleven heel lang bij elkaar.

De wielen van de bus

De wielen van de bus die draaien rond, draaien rond, draaien rond.
De wielen van de bus die draaien rond, als de bus gaat rijden.

De motor van de bus doet broem, broem, broem.
De motor van de bus doet broem, als de bus gaat rijden.
De mensen in de bus gaan heen en weer, heen en weer.
De mensen in de bus gaan heen en weer als de bus gaat rijden.

In ied’re kleine appel

In ied’re kleine appel,
daar lijkt het wel een huis.
Daar zijn vier kleine kamertjes,
precies als bij ons thuis

In ieder hokje wonen,
twee pitjes, zwart en klein.
Die liggen daar te dromen,
van licht en zonneschijn.

Ze dromen, dat ze later,
in de aarde groeien gaan.
Totdat ze grote bomen zijn,
met appeltjes eraan.

Haagse stoomtrein

In de Haagse stoomtrein,
daar zat een krokodil.
Iedereen die binnenkwam,
die beet hij in zijn bil.
Stoute, stoute krokodil,
waarom bijt jij in mijn bil.
In de Haagse stoomtrein,
daar zat een krokodil.

Op een heel smal bruggetje

Op een heel smal bruggetje,
liep een krokodilletje.
Iedereen die langskwam,
beet hij in zijn billetje.
Stoute stoute krokodil,
bijt jij zomaar in mijn bil.
Moet ik de politie halen,
dan moet jij mijn billetje betalen!

Krokusbolletje

Krokusbolletje.
Kom maar uit je holletje.
Met je bloempjes paars en geel.
Op een groene steel.

Er liggen bolletjes in de grond

Er liggen bolletjes in de grond,ze slapen,ze slapen
Er liggen bolletjes in de grond.
Overal in 't rond.

Brandweerliedje

Tuuduutuuduutuuduuduuduu.
Alle mensen aan de kant.
Uit de weg want er is brand.
Waar zou nou die brand toch kunnen wezen ?
Alle mensen aan de kant.
Uit de weg want er is brand.
Morgen staat het in de krant te lezen.
Als er brand is bel dan gauw.
De brandweerman, de brandweervrouw.
Komt u vlug, hallo hallo.
Zeker wel we zijn er zo.
Tuuduuruuduuruuduuduuduu.

Weet je wat ik heb gezien ?

Weet je wat ik het gezien ?
( naam kind ) in een vliegmachien.
Hij vloog omhoog en hij vloog omlaag
Dat heb ik gezien vandaag.

Weet je wat ik heb gehoord ?
( naam kind ) was ook aan boord.
Hij vloog omhoog en hij vloog omlaag.
Dat heb ik gehoord vandaag.

Opa bakkebaard

Opa bakkebaard heeft een huisje en in dat huisje is het goed.
Opa bakkebaard is aan het werken.
En weet jij wel wat hij doet ?
Hij veegt de vloer, met een bezem met een bezem.
Hij veegt de vloer.
Zo veegt hij de vloer.

Kun je koffie malen ( bewegingsliedje )

Kun je koffie malen ?
Ja, dat doe je zo.
Kun je geld betalen ?
Ja, dat doe je zo.
Kun je heel zacht praten ?
Ja, dat doe je zo.
Kun je heel hard praten ?
Ja, dat doe je zo.

Klein rood autootje

Klein rood autootje waar breng je ons naar toe ?
Naar al die lieve kinderen en naar de Kangoeroe.
En de handjes gaan van klap klap klap.
En de voetjes gaan van stamp stamp stamp.
Klein rood autootje waar breng je ons naar toe.